Terug

RECENSIE, Arjan Peters, DE VOLKSKRANT. 
 
AL METEEN aan 'Woord vooraf' is af te lezen dat Pieter Waterdrinker met groot plezier heeft gewerkt aan zijn tweede roman Liebmans ring. 'Het verhaal van de geesteszieke en erotomaan Johannes Liebman (1945-1998) dat ik de welwillende lezer bij deze presenteer, is verzonnen. Personen, situaties, maar ook locaties kunnen derhalve op generlei wijze aanspraak maken op welke rechterlijke genoegdoening dan ook.'

 

Waterdrinker heeft namelijk met zijn eerste roman Danslessen (1998) ondervonden dat er ook onwelwillende lezers bestaan, die weigeren aan te nemen dat fictie toch heus verzonnen is, en die een antisemitische opmerking over de burgemeester van Zandvoort niet anders kunnen opvatten dan als een antisemitische opmerking over de burgemeester van Zandvoort. Het werd nog een slepende rechtszaak ook, die gelukkig niet leidde tot een veroordeling van de schrijver. Het malle gedoe was niettemin allemaal al onthutsend genoeg.

 

En door zo'n voorwoord ga je juist zitten letten op overeenkomsten tussen boek en werkelijkheid. Liebmans ring speelt in 1998, en bevat dus het relaas van de laatste levensmaanden van de wodkaverslaafde geesteszieke, wiens vader fout is geweest in de Tweede Wereldoorlog, genoeg reden waarom hij ook geregeld verdacht gemaakt kan worden. Het blijft uitkijken in Nederland, met die oorlog, daarvan kan Waterdrinker meespreken.

 

Dat Liebman met een zonnebril op het voorhoofd nogal de aandacht trekt in het herfstige en winterse Sint-Petersburg, en dat Pieter Waterdrinker (behalve literair auteur ook Russisch correspondent van De Telegraaf) op het fotootje achterop het boek ook zo'n zonnebrilletje boven de wenkbrauwen draagt, kunnen we niet als volslagen toevallig zien. Zomin als Liebmans kamernummer 961 in hotel Oktjabrskaja, dat lijkt te verwijzen naar het geboortejaar van de auteur: 1961.

 

Maar Liebman heeft nog een volle weerbarstige haardos, zal de kalende Waterdrinker terugroepen, en ik zal hier dan ook verre van het woord 'autobiografisch' blijven. En dat de Nederlandse badplaats 'Z*', waar Liebman uit een badhotel voor geesteszieken ontsnapt om naar Rusland te vluchten, weleens Zandvoort kan zijn, dat is een veronderstelling die vanzelfsprekend te gek voor woorden is.

 

Pieter Waterdrinker is heel iemand anders dan Johannes Liebman, die hoofdzakelijk sloten schavuitewater drinkt. 'Hoppakee!', is de strijdkreet die hij telkens aanheft als hij weer eens een teug tot zich neemt. Liebmans ring is een krankzinnig verhaal dat wemelt van de dubbelgangers, en dat wordt verteld door iemand die ze duidelijk niet allemaal op een rijtje heeft. Een jaar geleden heeft hij zijn vrouw Eva Finkelstein verloren, en daarvoor hebben zij hun aangenomen dochtertje Mira op haar dertiende aan drugs ten onder zien gaan. Tel daarbij op Liebmans foute vader, die in de oorlog aan het Oostfront is geweest en zich daar heeft gelaafd aan Russische deerntjes, en je begrijpt waarom zoon Johannes in een crisis is beland.

 

Een Hollandse vriend heeft hem op het internet laten zien dat er in Rusland een look-alike van Eva bestaat, zij het in dertig jaar jongere uitvoering. Genoeg informatie voor Liebman om een 'Petersburgse Dromen-reis' te boeken, en zijn ondergang tegemoet te gaan.

 

Wat volgt, is een opgewonden en aanstekelijk verslag van de hopeloze zoektocht naar Eva, die hij in de gedaante van de hoer Sonja Obmanova inderdaad vindt, maar ook weer kwijtraakt, terwijl zij en haar pooier (die ook haar man is) de sullige Liebman van zijn trouwring hebben beroofd. Het boek wordt steeds meer een hysterische weergave van een tragi-komische ondergang, die door de leipe Liebman eerder lijkt te worden gezocht dan tot het uiterste vermeden.

 

Dit gegeven verschaft Waterdrinker de mogelijkheid zich als fictieschrijver uit te leven in benevelde evocaties van Sint-Petersburg, van de Hollandse consul die gek genoeg Devlaminck heet en een reusachtige collectie teddyberen bezit (neenee, dit is pertinent níet de Hollandse consul die in 1998 in Sint Petersburg gestationeerd was!), en van de gekte in Rusland waar de hotelprijzen plotseling kunnen worden verdubbeld, en waar mensen ineens kunnen worden verdacht betrokken te zijn bij een iconensmokkel. Natuurlijk treft Liebman dit lot - maar dat dat zo natuurlijk is, nemen wij geheel voor onze rekening.

 

Een en ander is een vrijbrief voor Waterdrinker om het op een quasi-Russisch fabuleren te zetten. Meer dan eens meende ik toespelingen aan te treffen op personages, situaties en locaties uit het werk van Gogol, Poesjkin, Tsjechov, Dostojevski en Boelgakov, maar het kan ook zuiver toeval zijn dat er een dame met een hondje opduikt, of oom Wanja, of dat Charles Aznavour door de telefoon tot Liebman het chanson 'Idiote je t'aime' zingt - terwijl de Aznavour die wij kennen, een liedje heeft dat 'Idiote que je t'aime' heet. Er is een verschil. In het tweede geval noemt de zingende man zijn eigen liefde dwaas, maar in het eerste wordt de luisterende Liebman voor idioot uitgemaakt. Schreef Dostojevski niet een boek met die titel?

 

Met dit soort puzzels kom je je leestijd wel door, en er zijn aanmerkelijk vervelender tijdpasseringen, omdat Liebman bepaald prettig gestoord is. Als hij op zijn hotelkamer discreet verwend gaat worden door de inheemse Lisa (niet eens zijn initiatief, en hij stuurt de meid alweer weg voordat ze haar slipje uitgetrokken heeft, dus met die aangekondigde erotomanie valt het reuze mee), vraagt hij haar waar ze vandaan komt. 'Het kind zette een zielig-boosaardig stemmetje op, en acteerde: 'Ik kom uit Kronstadt. Mijn moeder is invalide en mijn vader heeft maar één linkerbeen. Maar dat belette hem niet om zich vanaf mijn vijfde aan mij te vergrijpen.' ' Geen wonder, want elke tweevoeter heeft één linkerbeen, ben ik geneigd te denken. Maar bij Waterdrinker is alle gekkigheid geoorloofd, zij is zelfs het fundament waarop dit boek drijft; even gek doen, op zijn Russisch. Hoppakee.

 

Het siert de auteur dat hij de schrik en verbijstering die hem ten deel moeten zijn gevallen toen hij drie jaar geleden een proces aan zijn broek kreeg, niet heeft omgebogen in een kwaaie tirade, maar dat hij op de wijze van de literatuur heeft willen terugslaan: monter, speels, en met een demonstratie van dubbelzinnigheid op diverse niveaus. Waterdrinker is niet louter furieus, noch heeft hij zijn lol in het schrijven van fictie verloren. Waterdrinker is alleen verbaasd en verdrietig over het gemak waarmee hij suspect gemaakt kon worden.

 

Vernederd en vertrapt springt Liebman ten slotte de Neva in. Zo kan het je vergaan in de 'verloederde balzaal' die Sint-Petersburg is. In Liebmans ring is diepgang ver te zoeken. Wellicht is dat ook te veel gevraagd.

 

Waterdrinker heeft zich hernomen, zo bewijst zijn tweede roman, een eendimensionale aanbeveling van de berendans boven de klompendans. De schrijver leeft nog, en moet hierna laten zien wat hij te vertellen heeft zonder dat hij zich uitgedaagd voelt.

 

 

 

 

 

 

 

Leven als verrottingsproces

Roman vol Russische waanzin van Pieter Waterdrinker

Sneeuwklokjes, zo noemen ze in Rusland de stakkers die 's winters bezopen sneuvelen in de sneeuw en van wie de lichamen in de lente worden teruggevonden. Johannes Liebman, een in 1998 in Sint Petersburg verdwaalde Nederlander, voldoet aan alle voorwaarden om als zo'n sneeuwklokje te eindigen. Hij is de hoofdpersoon van Liebmans ring, de tweede roman van Pieter Waterdrinker.

Pieter Waterdrinker: Liebmans ring. De Arbeiderspers, 247 blz. ƒ35,04

Liebman is een psychiatrische patiënt van 53 die als toerist in Petersburg is beland en daar aan wodka, pech en toenemende krankzinnigheid ten onder dreigt te gaan. Buiten zijn schuld raakt hij betrokken bij een iconen-smokkel. De Nederlandse consul in Sint Petersburg, van wie hij hulp verwacht, speelt een kwalijke rol. Hij bereidt het staatsbezoek van koningin Beatrix voor en kan een lastpost als Liebman daar slecht bij gebruiken. Intussen heeft Liebmans zaak in Nederland alle kranten gehaald zodat hij zich in eigen land niet meer kan vertonen.

De botsing van een individu met een harteloze bureaucratie is een thema dat de auteur na aan het hart moet liggen. Pieter Waterdrinker, pseudoniem van Pieter van der Sloot (1961), is in het dagelijks leven correspondent van De Telegraaf in Rusland. Ook hij is in zekere zin slachtoffer geweest van de Nederlandse staat. In 1999 werd hij veroordeeld tot een geldboete wegens een antisemitische opmerking van een personage in zijn debuutroman Danslessen. En hoewel hij onlangs door de Hoge Raad is vrijgesproken, heeft hij de tegen hem ingestelde vervolging als een kafkaëske nachtmerrie ervaren. Tussen de regels van zijn nieuwe roman door lees je de woede die hij de afgelopen jaren moet hebben gevoeld over deze absurde zaak en zijn radeloosheid over het uitblijven van relevante steun. Maar zo erg als Liebman zal hij er toch niet aan toe geweest zijn.

Deze weduwnaar, ontsnapt uit een psychiatrische inrichting in Z. (waarin zonder moeite de badplaats Zandvoort uit Danslessen kan worden herkend) ontdekt bij aankomst in Petersburg dat hij het ene gekkenhuis voor het andere heeft verruild. Rusland bevindt zich aan de rand van de afgrond, zelfs de roebel is op de bon, corruptie en criminaliteit nemen ongekende vormen aan, lonen worden niet meer uitbetaald, belastingen niet meer geïnd en het volk bereidt zich voor op een opstand (die op 7 oktober 1998 op een mislukking is uitgelopen).

Poesjkin

Liebman, verblijvend in een uitgewoond hotel waar hij voortdurend wordt afgeperst en uitgenomen, brengt zijn dagen wodka drinkend door op een bankje bij een standbeeld van Lenin. Gek genoeg is de kale Lenin getooid met een prachtige bos krullen, maar dat komt omdat het beeld in werkelijkheid Poesjkin voorstelt, wat Liebman pas na verloop van tijd te weten komt.

Poesjkin, in 1837 op 37-jarige leeftijd tijdens een duel dodelijk verwond door de aangenomen zoon van de Nederlandse consul, loopt als een rode draad door dit van waanzin en desillusie vergeven boek, waarin alles draait om een bizar noodlot. Liebman is door een Petersburgse prostituee beroofd van de trouwring van zijn overleden echtgenote en denkt te weten dat hij binnen afzienbare tijd zal sterven als hij het sierraad niet terugvindt. Zo verwordt zijn vertroebelde verblijf in Petersburg gedurende de laatste maanden van 1998 tot een wanhopige zoektocht naar de ring en tegelijkertijd tot een martelend gevecht tegen de dood.

De beschrijvingen van deze waanzinnige missie zijn meesterlijk en bij vlagen stilistisch briljant. Zonder dat het geforceerd aandoet weet Waterdrinker, die een schat aan poëtische taal tot zijn beschikking heeft, de psychose van Liebman te laten samenvloeien met de staat van krankzinnigheid waarin Rusland verkeert. Liebmans dronkenschap wordt niet beschreven maar beleefd. Als een lyrische rapporteur van de ontbinding neemt hij de lezer mee in een apocalyptische tocht door Petersburg, waar het bestaan doordesemd is van decadentie en doodsverlangen en het hele leven zich voordoet als een angstaanjagend verrottingsproces.

Toch is er een aspect aan deze opmerkelijk goed geschreven en geconstrueerde roman dat me niet overtuigt. Waterman weet moeilijk maat te houden. Dan heb ik het niet over het soms exuberante taalgebruik, maar over de gezwollen thematiek. Liebman is gek, gefnuikt door het leven, maar de oorzaken van die gekte worden in de talloze flashbacks zo zwaar aangezet dat ze hol en grotesk worden. Niet alleen was Liebmans vader een SS'er die drie jaar als hospik aan het Oostfront diende, de man zat na de oorlog ook nog eens drie jaar gevangen in Haarlem, ontwikkelde zich vervolgens tot een om zich heen meppende alcoholische huistiran en hangt zich, als zijn zoon tien jaar is, op de zolder op. Alsof dit nog niet verschrikkelijk genoeg is, trouwt Liebman met de joodse Eva Fienkelstein, overlevende van een concentratiekamp, waar ze als kleuter haar hele familie verloor. Als ze geen kinderen kunnen krijgen en besluiten om er één te adopteren, stuit dat wegens het foute oorlogsverleden van Liebmans vader op onoverkomelijke bezwaren. Uiteindelijk slagen ze er toch in een meisje te adopteren, maar zij sterft kort voor Eva's dood aan een overdosis heroïne. Eva beschuldigt haar echtgenoot er vervolgens van dat hij het kind met incestueuze handelingen de dood heeft ingejaagd.

Concentratiekampverleden

Anders dan de schitterende, soms hilarische en in elk geval authentiek aandoende passages over Liebmans waanzinnige tochten door Petersburg, doen de flashbacks over het oorlogs- en familieleed gekunsteld aan. Schrijven over de frustraties van iemand met een foute vader vergt al het nodige inlevingsvermogen, maar als daar dan ook nog eens een zelfmoord, een concentratiekampverleden, gedwongen kinderloosheid, een dood adoptiekind en het verlies van een echtgenote bijkomen, vereist dat een identificatie met leed die welhaast onmogelijk is.

Het is niet verwonderlijk dat Waterdrinker zoveel opeengestapelde narigheid moeilijk geloofwaardig weer kan geven, temeer daar het foute-vadersyndroom en het holocausttrauma al zoveel wèl doorleefde literatuur heeft opgeleverd. Deze onderwerpen zijn te groot om te dienen als zijdelingse thematiek, als ondergeschikte verhaallijnen in dienst van een ander doel, in dit geval het doorgronden van de gekte van de hoofdpersoon. Had Waterdrinker deze vet aangezette oorzaken van Liebmans krankzinnigheid buiten beschouwing gelaten en was hij dichter bij zijn eigen belevingswereld van een Hollander in Rusland gebleven, dan was er een aangrijpende roman over doelloze passie, peilloze wanhoop en rottend verval overgebleven, vrij van de – het spijt me – oorlogskitsch die het nu ontsiert.

Opmerkelijk is trouwens dat Waterdrinker, na te zijn vrijgesproken van antisemitisme, in deze nieuwe roman enigszins kinderachtig wraak wil nemen op zijn kwelgeesten bij de justitie. Liebmans moeder roept tegen haar schoondochter `pleurisjodin' en Liebman zelf noemt de vriend van zijn pleegdochter `stinkneger'. Deze polemisch bedoelde tussenwerpsels ontsieren de roman: `U hoort het goed: stinkneger! Ik weet wat ik zeg. Zoals er ook stinkmoffen zijn in deze wrede wereld; stinkrussen, stinkfransen, stinknederlanders... Een zoon van een oud-SS'er kan zich van alles permitteren, staat de facto buiten de reguliere wet en de ethiek, is vogelvrij, een mentale melaatse, vol angst glurend naar de rest. Naar al die miljoenen brave en goede, meer dan goede landgenoten.' Een begrijpelijke uitbarsting, maar Waterdrinker heeft dit getier niet nodig, omdat zijn schrijverschap kwaliteit genoeg heeft om hem uit te tillen boven het kleinzielige gedoe waar hij na zijn eerste roman mee werd geconfronteerd.

We kwamen bij het plein met de gekrulde Lenin, waarover de sneeuw zich eveneens fraai had gemanifesteerd. Ik vertelde Ira hoe een mens in één nacht grijs kan worden; het was mijn moeder overkomen, toen ze nog geen dertig was. Maar zo snel kaal...

Ik had nooit geweten dat die communistische snurker ooit zo'n volle kop met haar had gehad,

`Wie bedoel je?'

`Hem natuurlijk', zei ik wijzend op het standbeeld. `Die Lenin.'

`Lenin? Maar dit is Poesjkin. De koning der dichters.' Ira keek me verbijsterd aan. Had ik nooit van Alexander Poesjkin

gehoord?

Uit Pieter Waterdrinker: Liebmans ring

We kwamen bij het plein met de gekrulde Lenin, waarover de sneeuw zich eveneens fraai had gemanifesteerd. Ik vertelde Ira hoe een mens in één nacht grijs kan worden; het was mijn moeder overkomen, toen ze nog geen dertig was. Maar zo snel kaal...Ik had nooit geweten dat die communistische snurker ooit zo'n volle kop met haar had gehad,`Wie bedoel je?'`Hem natuurlijk', zei ik wijzend op het standbeeld. `Die Lenin.'`Lenin? Maar dit is Poesjkin. De koning der dichters.' Ira keek me verbijsterd aan. Had ik nooit van Alexander Poesjkingehoord?Uit Pieter Waterdrinker: Liebmans ring

 

 

 

 

 

 

 

Terug